Dagelijks Woord

Meer over Kerkelijk leven

Meditatie

Eén ding heb ik van den HEERE begeerd…

Psalm 27 vers 4 Eén ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de lieflijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.’

Waar gaat uw hart naar uit? Hoe brengen we onze levensdagen door? Wat zou je het allerliefste willen hebben? Vragen, die ons allemaal raken. Het is niet te zeggen, hoeveel gedachten en wensen elk mens heeft. Ach, ons hart zit vol met begeerten. Naar alles wat de wereld te bieden heeft. Dit is ons bestaan sinds de diepe zondeval. Gevallen in de zondige begeerte. ‘En de zonde voleindigd zijnde, baart de dood.’ Zo liggen wij totaal verloren in zonde en schuld: dood in zonden en misdaden. In deze eindtijd, ‘waar spotters komen zullen, die naar hun eigen begeerlijkheden wandelen’. Het ene verlangen is voorbij, en er ontstaat weer een nieuwe begeerte. En de duivel heeft de beste middelen – zoals moderne media – om u bezig te houden, in zijn macht te houden. Zodat je dóórgaat met begeren, zondigen en de giftige genietingen van de wereld in te drinken. Maar het leidt onherroepelijk tot de dood. Je hart zal nooit verzadigd worden. ‘Want al wat in de wereld is namelijk de begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens, is niet uit de Vader, maar uit de wereld. En de wereld gaat voorbij, en haar begeerlijkheid; maar die de wil Gods doet, blijft in der eeuwigheid.’

‘Eén ding heb ik van den HEERE begeerd’, zegt David. Niet twee, drie, tien of honderd dingen, maar één verlangen, dat alles overstijgt… Dit is de taal van het ware geloof. Omdat God ingegrepen heeft in zijn leven. Door het grote wonder van vrije genade en de wederbarende kracht van de Heilige Geest. Die liefde Gods is in zijn hart uitgestort. Dat gaat er nooit meer uit. David verwacht niets van zichzelf, maar heeft het ‘van den HEERE begeerd.’ Dit is niet een tijdelijke belijdenis, oppervlakkige uitspraak of een mondbelijdenis. Veel mensen hebben God alleen maar nodig als ze het heel moeilijk hebben...  Maar voor David is het écht een zaak van het hart. Dan kán het niet anders, of het komt het tot een vast voornemen: ‘dát zal ik zoeken...’ Terwijl er van nature niemand is, die de HEERE zoekt (Rom.3). Wat een wonder! Kent u deze hartelijke belijdenis en dit vast voornemen?

Wat zoek je dan, David? ‘Dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN.’ Daarmee bedoelt David het heiligdom: de tabernakel. We weten dat David in de moeilijkste momenten in zijn leven naar de tabernakel vluchtte. Reeds toen hij door Saul bedreigd werd en als een balling rond moest zwerven. Toen hij alle zekerheden was kwijtgeraakt (1 Sam.21). Om de Naam des HEEREN aan te roepen, om hulp en raad te vragen. En om zijn hart voor God uit te storten. Kent u dat brandende verlangen ook? Die overvloeiende, overstelpende liefde, waardoor je zou wensen dat het élke dag zondag was – om nu altijd, áltijd, voortdurend in het huis des HEEREN te mogen zijn?

Dan ben je net als David op het absolute nulpunt terechtgekomen. Als een berooide balling, als een arme en ellendige zondaar, die niets verdiend heeft. Omdat ik het niet waardig ben dat God ooit nog naar mij zou omzien, ‘al de dagen mijns levens’. Hoeveel zonde en schuld is er ‘al de dagen’ in Davids leven gepasseerd. Maar juist in die weg (Ps. 51 en 32) heeft hij het wonder van de verzoening met God bevindelijk mogen doorleven. Hij wist: de tabernakel is dé plaats waar de HEERE wil wonen. Daarom wil ik er ook wonen. Alleen daar ontvang ik bescherming tegen de vijanden van rondom. De dichter mag in vers 5 alles toeschrijven aan de HEERE. Dat is nu overgave. Wonen. Rusten. Het gaat hem om de gemeenschap met God. Wat is jouw begeerte? Waarom gaan wij naar de kerk? Mag je zeggen: ‘Heere, voor U is al mijn begeerte, en mijn zuchten is voor U niet verborgen.’ Als een dakloze, thuisloze zondaar onderdak bij Hém te ontvangen: de Heere Jezus Christus, van Wie onze Statenvertalers zeggen dat Hij de ware Tabernakel en de ware Tempel is…

‘Om de lieflijkheid des HEEREN te aanschouwen.’ Want daar wil Hij Zichzelf openbaren. In Zijn Naam, Zijn Wezen en eigenschappen. Hier is de lieflijkheid des HEEREN te zien. In al Zijn inzettingen, in de tabernakeldienst. ‘U zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren.’ De HEERE heeft Davids ogen willen openen. Dáár wordt het wonder van soevereine genade – verzoening door voldoening – geopenbaard. Het wijst op de grote Zoon van David, de Messias, de Christus der Schriften. Hij wordt verkondigd: ‘Zie het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt.’ Dan zou je altijd in de kerk willen blijven: te zien op Hem. De vermoeiden en belasten vinden daar rust. Degenen die zichzelf leerden kennen als een goddeloze, verloren zondaar. Als één, die niet voor God kan bestaan. En toch, door de trekkende kracht van Gods Geest zó arm, dat je niet meer bij de HEERE vandaan kan blijven.  

David begeert om ‘de lieflijkheid des HEEREN aanschouwen’ én ‘te onderzoeken in Zijn tempel.’ Dan zit je met Maria aan de voeten van de Zaligmaker. Zoveel onderwijs nodig… Altijd leerling blijven. Als een ‘arme van geest’ die hongert en dorst naar de gerechtigheid. Om nooddruftig, behoeftig en ellendig, als een geestelijke bankroetier, steeds uit te gaan tot Hem. De toevlucht nemen tot de dood, het bloed, het lijden en de gehoorzaamheid van Christus ‘Die geschonken is tot wijsheid, rechtvaardiging, heiligmaking en een volkomen verlossing.’ Voedsel te mogen ontvangen in de prediking van Zijn Woord en in de heilige sacramenten. Om de ‘lieflijkheid des HEEREN te onderzoeken in Zijn tempel’: een voorsmaak te ontvangen van het eeuwige leven – de hemel – waar de aardse tabernakel een afschaduwing was.

Misschien is er iemand die nog draalt rondom de ingang van het huis des HEEREN. Je hinkt op twee gedachten, zoals de rijke jongeling. ‘Eén ding ontbreekt u’, zegt Christus. Iemand anders is druk met het tijdelijke. ‘Eén ding is nodig’, zo sprak de Zaligmaker tot Martha. De blindgeborene zei: ‘Eén ding weet ik, dat ik eerst blind was, en nu zie.’ Paulus zegt: ‘Eén ding doe ik’. Wat zegt u? En jij? ‘Wat is uw enige troost?’ Om op goede gronden, in waarheid te mogen nastamelen: ‘Nabij God te zijn… dat is zeer verre het beste. Dán zal de volle werkelijkheid vervuld worden: Eeuwig bij Hem te wonen.

Kand. H. van der Schans
Maartensdijk

  • © hersteld hervormde kerk 2025